dinsdag 06 oktober 2009 13:44
Verhoging van de AOW-leeftijd is onvermijdelijk, maar ontzie de lagere inkomens door de AOW te fiscaliseren, betogen zeven kroonleden van de SER.Het is te betreuren dat alle constructieve pogingen binnen de SER niet hebben geleid tot een voor ieder aanvaardbare oplossing inzake de AOW-leeftijd. We dreigen nu de kans te missen om constructief invulling te geven aan een arbeidsmarkt waarin de talenten van ouderen beter worden gekoesterd en benut. Een hogere arbeidsparticipatie van ouderen betekent immers minder bezuinigen en minder lasten verzwaren. Door zuiniger te zijn op mensen kan bovendien de dienstverlening in arbeidsintensieve sectoren, zoals zorg en onderwijs, ondanks de vergrijzing in stand blijven.
Sinds de invoering van de AOW in 1957 is Nederland aanzienlijk veranderd. We zijn welvarender geworden; we leven langer en vergrijzen. Dat betekent ook dat de instandhouding van de naoorlogse verzorgingsstaat steeds grotere financiële offers vraagt. De vergrijzingslast wordt in grote mate afgewenteld op de jongere generatie. Onze economie wordt gedomineerd door een uitgebreide, hoogstaande dienstensector. De aard van het werk is gewijzigd en er zijn steeds meer hulpmiddelen beschikbaar om ook met gebreken actief te blijven in het arbeidsproces. Dat biedt veel meer participatiemogelijkheden. Die moeten we dan ook benutten. De AOW fungeert als hoeksteen van de verzorgingsstaat die ouderen vrijwaart van een armoedige postactieve periode. Iedere inwoner heeft recht op een AOW-uitkering als basispensioen, ongeacht zijn of haar arbeidsverleden. Dit basispensioen is gebaseerd op solidariteit tussen alle inwoners van Nederland.
Nu staan we voor de zware opgave die verzorgingsstaat in de toekomst voor iedereen toegankelijk te houden. De ontwikkelingen in de bevolkingsopbouw en op de arbeidsmarkt maken een herijking van de wettelijke pensioenleeftijd onontkoombaar. Als wij de komende decennia niet gefaseerd ingrijpen, moet straks de AOW van een gepensioneerde door twee werkenden worden opgebracht, waar dat er nu vier zijn.Een geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd en daaraan gekoppeld de ingangsleeftijd voor aanvullende pensioenen is daarom onvermijdelijk als we de gevolgen van de vergrijzing voor onze kinderen en kleinkinderen straks draaglijk willen houden. Het is een kwestie van verantwoordelijkheid om nu al die feiten onder ogen te zien en tijdig de bakens te verzetten. Daarbij moeten we niet vergeten dat de resterende levensverwachting van de 65-plusser vandaag, in vergelijking met die ten tijde van de invoering van de AOW met veel meer dan twee jaar is toegenomen, méér dus dan de thans voorgestelde ophoging van de AOW-leeftijd. En die levensverwachting neemt de komende jaren alleen maar verder toe. In uitkeringsjaren gemeten gaat de AOW-er er dus in de toekomst niet op achteruit. Jongeren krijgen straks later hun AOW, maar profiteren toch even lang van hun AOW als de huidige ouderen. Voor ouderen geldt dat geleidelijke verhoging van de pensioenleeftijd voorkomt dat de AOW en aanvullende pensioenen, maar ook de zorg op den duur verschralen.
Men kan de AOW-leeftijd geleidelijk verhogen naar 67 jaar, of die verhoging koppelen aan de levensverwachting in elk geval blijft het basispensioen dan beter betaalbaar; ook de overheidsfinanciën worden robuuster doordat de AOW helpt de demografische veranderingen te stabiliseren. Daarbij zal de verhoging van de AOW-leeftijd naar onze mening geleidelijk moeten zijn, zodat werknemers zich tijdig kunnen voorbereiden op een langer arbeidzaam leven, bijvoorbeeld door extra scholing of verandering van werkkring. En daarmee kan ook de participatie van ouderen geleidelijk worden opgevoerd. Toch denken nogal wat mensen dat verhoging oneerlijk is en onevenredig zwaar drukt op bepaalde, vooral lagere inkomensgroepen.
Wij zijn ons ervan bewust dat een geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd aanzienlijke effecten heeft voor lagere inkomensgroepen met een minder hoge levensverwachting. Die effecten ontstaan mede omdat de AOW als basisinkomen in die categorie een substantiëler deel uitmaakt van het totale inkomen. Maar dat betekent tegelijkertijd dat het juist voor die lagere inkomensgroepen extra belangrijk is, dat de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de AOW als basispensioen voor de toekomst wordt geborgd.Dat geldt temeer omdat juist deze categorie door de beperkte financiële mogelijkheden extra afhankelijk is van zorg en aanverwante voorzieningen. Juist zij hebben er belang bij dat er als gevolg van de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd in die sectoren voldoende arbeidskrachten beschikbaar blijven. Bij het streven naar het in stand houden en betaalbaar houden van de AOW mag van alle inkomensgroeperingen een zekere bijdrage worden verwacht. Wel maakt het draagkrachtbeginsel een aantal begeleidingsmaatregelen wenselijk dat ertoe kan leiden dat de lagere inkomensgroepen worden ontzien.
Zo kan een herverdeling van de lasten plaatsvinden bij de AOW-gerechtigden door verdergaande fiscalisering van de AOW. Dat betekent dat draagkrachtige ouderen ook bijdragen aan de financiering van de AOW, waarbij lagere inkomens minder belast worden dan hogere inkomens. Invoering van dergelijke fiscalisering zou geleidelijk moeten plaatsvinden en kan gelijke tred houden met het tempo waarin de verhoging van de AOW-leeftijd wordt doorgevoerd. Een deel van de aldus verkregen middelen zou benut kunnen worden om de lagere inkomens te ontzien.Formele verhoging van de pensioenleeftijd laat onverlet dat wie eerder met pensioen wil gaan, dat kan doen, zij het met een iets lagere uitkering. Daarnaast kan per sector een collectief arbeidscontract uitgewerkt worden dat aanvullende regelingen bevat die recht doen aan de zwaarte van het beroep. In de meeste secundaire arbeidsvoorwaarden is dat trouwens nu al zo.
We staan voor een onontkoombare keuze. We mogen niet weglopen voor de steeds dringender wordende vergrijzingsproblematiek. De politiek is weer aan zet. Wij vinden dat bovenstaande overwegingen en aanvullingen in de vervolgbesluitvorming moeten worden meegenomen.
Brede maatschappelijke overeenstemming over het AOW-vraagstuk is van groot belang voor solidariteit en onderling vertrouwen. We moeten nu regelen hoe we geleidelijk de gevolgen van de vergrijzing op een voor ieder rechtvaardige manier oplossen. Dit kunnen en mogen we niet doorschuiven naar volgende generaties.Ferdinand Grapperhaus, Louise Fresco, Arnoud Boot, Lans Bovenberg, Theo Bovens, Fokko van Duyne en Leo Stevens zijn onafhankelijk lid (kroonlid) van de SER. Dit artikel behelst hun persoonlijke opvattingen en is niet de weergave van één van de compromisvoorstellen die de afgelopen weken zijn gedaan.
Bron: ANP/Volkskrant
